Studie en werk: als de standaardroute niet past
- Ömer Guney
- 11 aug
- 6 minuten om te lezen
Beluister deze blogpost hier:
Personen die Ondersteunde Communicatie (OC) gebruiken – en in zekere mate personen met een handicap in het algemeen – vallen vaak buiten de heersende norm die stelt dat individuen eerst een opleiding naar keuze volgen om daarna de geziene theorie in de praktijk te brengen op hun werk. Met deze blogpost wil ik verkennen waarom dit zo is en mijn eigen ervaringen neerpennen, in de hoop dat je samen met mij over dit onderwerp reflecteert.
Zoals de meesten die dit lezen weten, heb ik een zware motorische beperking. Dit houdt in dat ik me voortbeweeg in een elektrische rolstoel en communiceer met mijn spraakcomputer.
Tijdens mijn kinder- en tienerjaren ben ik altijd naar het buitengewoon onderwijs geweest. Daar kreeg ik waardevolle begeleiding over hoe ik zo zelfstandig mogelijk door het leven kon gaan. Zo concludeerden we eerst dat ik met mijn rechtervoet kon werken, dat ik daarmee een elektrische rolstoel kon besturen en dat ik enorm gebaat zou zijn bij een spraakcomputer. Tot mijn tiende levensjaar heeft de school er stap voor stap voor gezorgd dat ik deze hulpmiddelen tot mijn beschikking kreeg.
De leerstof die ik daar in het basisonderwijs zag, vond ik boeiend en uitdagend. En als ik de eindtermen bekijk die in 2012 in Vlaanderen golden, kwamen die min of meer overeen met wat ik persoonlijk kon aan het einde van mijn loopbaan in het buitengewoon basisonderwijs. Maar daarna begonnen de verschillen…
Als elfjarige stonden mijn ouders en ik voor een lastige keuze. We kregen twee opties voorgeschoteld: ofwel kon ik op dezelfde school blijven – de school bood zowel basis- als secundair onderwijs voor kinderen en jongeren met een motorische beperking – en kon ik elke dag naar huis gaan, maar zou ik geen diploma secundair onderwijs behalen wanneer ik er afstudeerde; ofwel kon ik naar een van de scholen gaan die OV4 aanboden en dus wel een diploma uitreikten, maar dan zou ik door de week op internaat moeten blijven omdat die scholen ver weg lagen.
Ik herinner me dat mijn ouders aan de elfjarige ik vroegen wat hij wilde doen. Zowel zij als ik zagen het internaat niet zitten en we besloten dat ik mijn humaniora ook in Diepenbeek zou afmaken. De scholen in kwestie hadden ook gecommuniceerd dat ze twijfelden of ze geschikt waren voor mij: de ene school twijfelde of ik fysiek mee zou kunnen volgen omdat ik toen met mijn rechtervoet heel traag typte, en de andere gaf aan dat zij niet de expertise hadden om voor mij – iemand met toch wel een zware vorm van CP – te zorgen.
Ik herinner me nog dat ik dat laatste argument heel vreemd vond. ‘Hoe kan een school die onderwijs biedt aan jongeren met een motorische beperking niet de expertise hebben om voor mij te zorgen?’ dacht ik bij mezelf. Die terughoudendheid van de scholen maakte het nog lastiger om die optie te overwegen. Maar het feit dat ik het niet zag zitten om op internaat te gaan, was wel de belangrijkste reden dat ik – samen met mijn ouders – besloot om in Diepenbeek naar school te blijven gaan.
Mijn jaren in BuSO Sint-Gerardus kan ik zonder twijfel als heel leuk beschrijven. De vader van een klasgenoot zei altijd dat wij niet op school zaten, maar op zomerkamp. Hier verbind ik niet noodzakelijk een normatief oordeel aan: voor bepaalde jongeren was het feit dat het daar leuk was een enorme meerwaarde, en voor anderen misschien iets minder.
Op BuSO Sint-Gerardus werkte ik vooral aan een selectie van competenties die me in staat zouden stellen om als persoon met een handicap binnen de samenleving te functioneren. Het ging om competenties zoals zelfredzaamheid, assertiviteit en nauwkeurigheid. Achteraf gezien was dit voor mij heel waardevol. Deze zaken zou ik op de andere scholen, denk ik, niet geleerd hebben.
Maar wat ook voor iedereen die met me werkte duidelijk was, was dat ik meer aankon. Ik hoorde mijn leerkrachten en therapeuten regelmatig zeggen: “Jij kan meer aan dan wat wij jou hier kunnen aanbieden.” Zelf was ik daar echter niet zeker van. Ja, ik vond de lessen daar niet bepaald uitdagend, maar aan de andere kant had ik ook niets anders geprobeerd. Wel heb ik me altijd voorgenomen om te proberen verder te studeren nadat ik daar afstudeerde.
De laatste paar jaar in Sint-Gerardus waren stressvolle jaren voor mij. Het begon stilaan tot me door te dringen dat ik binnenkort niet meer elke dag naar school zou gaan om daar mijn sociale contacten te onderhouden en automatisch een nuttige dagbesteding te hebben. Tijdens de laatste jaren werden de leerlingen begeleid bij het vinden van een nuttige dagbesteding na school.
Er werd natuurlijk op individuele basis gewerkt, maar als ik de opties die wij kregen in grove lijnen moet samenvatten, kwam het neer op ofwel een dagcentrum, ofwel begeleid (vrijwilligers)werk. Vanwege mijn zware motorische beperking zou ik eerder een dagcentrum moeten kiezen dan begeleid werk. In dit kader heb ik zelfs een week mogen meedraaien in een dagcentrum. Hoewel ik het rustige dagelijkse ritme daar echt wel aangenaam vond, was het voor iedereen duidelijk dat ik mij daar niet voldaan zou voelen.
Naarmate het einde van mijn schoolloopbaan naderde, werd het mij duidelijk dat ik zelf een pad voor mezelf moest uitstippelen, want de standaardroutes die beschikbaar waren, pasten niet bij mij. Nadat ik afgestudeerd was aan Sint-Gerardus, besloot ik om te proberen mijn diploma secundair onderwijs te behalen via de Examencommissie. Maar na het even geprobeerd te hebben, bleek dat toch niet ideaal te zijn. De voornaamste reden was dat ik het moeilijk vond om zelfstandig naar leerstof te zoeken.
Desondanks slaagde ik voor wiskunde, Nederlands en Engels. Toch besloot ik te stoppen, omdat ik niet vorderde én omdat ik toen druk bezig was met het uitgeven van mijn boek. Een aantal jaar later – na corona – hoorde ik van een van mijn vrienden dat hij online volwassenenonderwijs volgde. Ik was ervan overtuigd dat dit ideaal voor mij zou zijn. Ik schreef me meteen in en twee schooljaren later had ik mijn diploma secundair onderwijs.
Op dit moment, tijdens het schrijven van deze blogpost, bereid ik me voor om aan de bacheloropleiding communicatiewetenschappen te beginnen.
Geen voorbestemd pad
Ik heb het geluk dat ik de nodige hulp en energie heb om zelf te kunnen bepalen wat ik wil doen, maar voor veel van mijn lotgenoten is dit niet altijd het geval. Veel van mijn lotgenoten willen iets anders doen, maar ofwel weten ze niet wat ze willen doen, ofwel weten ze niet goed hoe ze eraan moeten beginnen. Volgens mij komt dit in essentie doordat de samenleving niet echt iets van hen verwacht.
Dagcentra zijn voor de juiste mensen een uitstekende oplossing. Ik pleit zeker niet voor minder dagcentra! Maar de segregatie die in het onderwijs ontstaat door het reguliere en buitengewone onderwijs van elkaar te scheiden, wordt in essentie gewoon voortgezet in dagcentra, stel ik vast. Ik heb hier geen kant-en-klaar masterplan om dit fenomeen tegen te gaan, maar ik denk dat het een goed begin zou zijn om dagcentra sterker in de buurt te integreren.
Ook al ben ik zelf naar het buitengewoon onderwijs geweest en heb ik daar niet veel slechts over te zeggen, ik kan inzien dat inclusief onderwijs hierin een grote rol kan spelen. Niet alleen verminder je zo de segregatie vanaf het begin, maar door op te groeien met leeftijdsgenoten zonder handicap leren beide groepen met elkaar samen te leven. Dit kan voor personen met een handicap meer kansen en mogelijkheden opleveren, omdat zij zo ook beter kunnen ontdekken welke aanpassingen ze nodig hebben.
Het laatste punt is misschien een beetje controversieel… In mijn ogen kan ook de uitkering die wij krijgen ergens een ballast voor ons zijn. Voordat ik verderga, erken ik dat ik het financieel zeer goed heb dankzij de wil van Allah en ook omdat ik nog bij mijn ouders woon. Ik pleit er zeker niet voor om alle uitkeringen zomaar af te schaffen. Laat dat alstublieft duidelijk zijn!
Maar als ik eerlijk naar mijn eigen situatie kijk, is het feit dat ik een degelijke uitkering heb een belangrijke reden waarom ik geen werk zoek. Dat de regels rond bijverdienen streng zijn, speelt hier natuurlijk een belangrijke rol in. Ik kan zeker inzien dat een job hebben andere voordelen biedt dan louter welvaart vergaren, maar ik vind persoonlijk dat werk moet lonen. Als ik zou moeten gaan werken om aan het einde van de maand hetzelfde bedrag over te houden, vind ik dat een beetje te zot.
In mijn ogen zou een universeel inkomen voor iedereen een oplossing kunnen zijn. Dat sluit min of meer ook aan bij hoe de islam de economie ordent. Uthman ibn Affan (moge Allah tevreden met hem zijn) heeft overgeleverd dat de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) zei: “De zoon van Adam heeft recht op deze zaken: een huis om in te wonen, kleding om zijn lichaam te bedekken, brood en water.”
Hieruit concluderen geleerden dat het een verplichting van de staat die de islam toepast is om zijn inwoners van voedsel, kleding en onderdak te voorzien, zodat de basisbehoeften van ieder individu bevredigd zijn. De inwoners zullen dan gaan werken – niet louter om een menswaardig bestaan te kunnen leiden – maar om hun levensstandaard te verbeteren. Dit zou gerealiseerd kunnen worden met een universeel inkomen, al hangt dat enigszins af van hoe men dit begrip definieert.
Concluderend gaat het erom personen met een handicap volwaardiger te laten deelnemen aan de samenleving door samen met hen geschikte alternatieven te bedenken voor de kant-en-klare oplossingen die vandaag de norm zijn. Want net zoals u, mijn beste lezer, zijn wij unieke personen met uiteenlopende behoeften, mogelijkheden en wensen.




Opmerkingen